Skip to content

De kopermijn in Stolzembourg

9 augustus 2016

Column

Laatst had ik een Bob Evers-moment. Het was zoiets als een déjà vu, maar dan door de kosmos gepresenteerd als een treffende gelijkenis. Ik bezocht met de kinderen een kopermijn in het plaatsje Stolzembourg. Dat ligt in het oosten van Luxemburg aan de rivier de Our, in een wat afgelegen gebied. De weg erheen loopt een paar kilometer lang naar beneden. Het is een beetje alsof je naar de rand van de wereld gaat, net alsof je bij Sam Houston in een Cessna zit, zeg maar.

 

In het museumgebouw kregen we eerst een lezing over de kopermijn. Er loopt een koperader, maar de mijn is nooit echt rendabel geweest. Toch zijn er door de eeuwen heen telkens avonturiers geweest die met hun unieke inzicht de mijn wel even rendabel zouden maken. Er werd zelfs een spoorlijn aangelegd om het koper te vervoeren en er werd gezweet en gezwoegd. Lotgevallen genoeg. Na zo’n periode van ontginning kwam er telkens een periode van stilstand. Net als nu in feite. Laat ik parallel aan de mijnlezing maar mijn lezing over Bob Evers-verhalen houden. Aan de Bob Evers-verhalen zitten soms rafels, alsof het nog niet helemaal af is. Zo had ik in de briefjesjacht de hele Kalahari lang het idee, dat we nog een verhaal tegoed hadden. Hoe was Bob hier in verzeild geraakt? Hoe kende hij John en Lois? “Luister goed, Jan, Ik heb geen tijd om alles uit te leggen. Dat zou uren duren.” Toen we eindelijk in Engeland waren aangeland werd dat verhaal helemaal niet verteld. “Door een toeval – het duurt veel te lang om u dat precies uit te leggen – kwam ik in contact met neef en nicht, …” Het zijn deze rafels die doen denken aan een sterk verhaal in de kroeg, zoals we Willem uit de overlevering kennen. Dat onbezonnene, met groteske gebaren en met volle overtuiging gebracht. Impulsief en soms de grenzen van het toelaatbare overschrijdend. De politie wordt meestal beschouwd als een lastpost, die er om heel specifieke redenen buiten gehouden moet worden. Met natuurlijk de meest mogelijke details, zodat het verhaal niet verzonnen kàn zijn. Willem heeft in een interview eens gezegd dat de illustraties van Mettes op de een of andere manier zo goed bij zijn verhalen pasten. Die illustraties leken niet af te zijn. En dat niet-affe, dat oorspronkelijke, dat karakteriseert ook de serie.
Mettes3_1
Na de lezing volgde een wandeling de berg op, waar men een depot had. Hier kregen we laarzen en plastic regenjassen tegen het druppelen in de onderaardse gangen. We waren er toen nog niet. Het depot stond bij de hoogste uitgang, voor de rondleiding liepen we weer een eind bergafwaarts. Door de afwateringstunnel bereikten we de mijn. De laatste in de rij sloot de zware deur (die moest echt op slot) en met zaklantaarns liepen we door de lange gang. We hadden zelfs helmen op gekregen, omdat de gang net niet manshoog was. Na een lange onderaardse tocht kwamen we aan het begin van de koperontginning. De rondleiding kon beginnen. Nog steeds dacht ik niet aan Arie, Jan of Bob. Onze leidster kon ontzettend leuk vertellen, ik stond achteraan en kon nog niets zien, maar ze was goed verstaanbaar. Na het verhaal trokken de voorsten zich terug en konden de mensen achteraan de koperschacht bewonderen. Een gat van zestig meter diep dat tot aan de rand volgelopen was met water. Over leuk vertellen gesproken, het leuke aan de verhalen van Willem is dat ze wat rauw en wispelturig zijn. Het heeft allemaal te maken met het karakter van de schrijver, die vooral schreef als hij geld nodig had, die liever nog wat in de kroeg had gezeten, maar voor wie geen zee te hoog ging. Het moest gewoon niet netjes zijn. Het werd ook nooit een vast stramien en zo is de loop van de avonturen ook onvoorspelbaar. In Fort B lijkt het avontuur maar niet op gang te komen, mijnen zijn kennelijk moeilijk bereikbaar, of het nu om smaragd- of kopermijnen gaat. Houston, Jan en Bob stranden in de wildernis waar vervolgens allerlei dingen gebeuren die niets met het verhaal te maken hebben. Het is het veelbeproefde verhaal in een verhaal, ons allen zeer bekend, een typische Van der Heide-stijlfiguur. Fort B leest als één lange inleiding tot een avontuur, vond ik. Ik verwachtte minstens nog een deel waarin het avontuur zich ten volle zou ontrollen. Maar die belegering was vrij kort en het avontuur plotseling uit. Heel onvoorspelbaar. Daar moest ik ineens aan denken bij die schacht, in een kosmisch Bob Evers-moment. Eindelijk bij de kopermijn aangekomen, bleek het begin van de rondleiding ook het einde te zijn, er waren verder geen gangen, er was alleen die ene schacht en na die gezien te hebben beklommen we de trappen rechtstreeks de donkere aarde uit naar het depot. Het was zomaar afgelopen. En wat is nu de moraal van dit verhaal? Die is er niet. Mijn column is ook zomaar afgelopen. En de kinderen vonden het allemaal prachtig.

Deze column is eerder verschenen in de Bob Evers Nieuwsbrief nr. 44.

Advertenties

From → Kunst

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: