Skip to content

De efficiënte opslag van gedrag

20 februari 2016

Gedrag verloopt volgens voorspelbare patronen. Die patronen kun je geheugen noemen. Gedrag wordt aangestuurd door de hersenen en dat is ingewikkeld, want voor de meest eenvoudige gedragingen zijn vaak al veel spieren betrokken die allemaal gecoördineerd moeten worden aangestuurd. We stellen ons een geheugen vaak voor als een geordende verzameling registraties zoals in een boek, een catalogus, of een computergeheugen.

 

Deze voorstellingen van zaken hebben gemeen dat ze gelezen moeten worden, er is een lezer nodig. In het geval van een boek of een catalogus is de lezer een mens, in het geval van het computergeheugen is de lezer een machine, of zo je wilt een deel van de machine. Er is dus een scheiding tussen geheugen en lezer. Het geheugen is in deze voorstelling statisch en passief, de lezer vertoont gedrag en is dus actief. Een robot heeft een computergeheugen, dat passief is. Het wordt gelezen om de robot het gewenste gedrag te laten vertonen. Een robot heeft mechanische onderdelen – bijvoorbeeld grijparmen – die gedrag vertonen. Dat gedrag kan heel beperkt zijn, zoals het monteren van onderdelen in fabrieken; het gedrag kan wat ruimer zijn, zoals bij voetballende robots. De mechanische onderdelen worden aangestuurd door een computer – het brein van de robot – die zijn informatie uit het geheugen haalt.

Ik denk dat de voorstelling van geheugen en gedrag als twee gescheiden entiteiten onjuist is. Ieder gedrag kun je op zichzelf al als geheugen beschouwen. In de voorstelling van twee gescheiden entiteiten is het lezen van het geheugen een onveranderlijk gedrag. Kennelijk wordt het lezen zelf niet door het geheugen beïnvloedt. Maar als je ieder gedrag als geheugen beschouwt, dan valt het lezen van het geheugen ook onder – een soort – geheugen. Als een levend wezen gedrag vertoont, dan zijn daar vaak veel spieren bij betrokken. Al die spierbewegingen zitten in het geheugen. Als je je dat voorstelt als een robot, dan begin je met een beschrijving in het geheugen van de gewenste beweging, vervolgens moet berekend worden wat en hoeveel ieder onderdeel van de robot moet doen. Dat lijkt omslachtig. Als je je voorstelt dat gedrag en geheugen als één geheel werken, dan hoeft de gewenste beweging niet in het geheugen beschreven te zijn. Er is een sequentie van processen die aan het eind de gewenste beweging opleveren, zonder dat die beweging in het geheugen aan te wijzen is. Je kunt hier de vergelijking met een neuraal netwerk maken. Een neuraal netwerk geeft een respons op input, waarbij de verwerking verdeeld is over het hele netwerk. Je kunt dus niet een bepaald neuron aanwijzen dat verantwoordelijk is voor een bepaalde output.

Zo moet het ook zijn met een representatie van de omgeving. Levende wezens hebben zo’n representatie om zich in hun leefomgeving te kunnen handhaven. De opslag van gedrag moet wel efficiënter zijn dan een geheugen dat los staat van gedrag. Dus een robot die dingen in z’n geheugen opslaat die los staan van gedrag en op basis daarvan gedrag moet vertonen, bestuurd moet worden, is veel omslachtiger dan een robot die alleen maar gedrag opslaat en waarbij de representatie dus niet los staat van het gedrag, maar waarbij de representatie bestaat uit gedrag.

Uit experimenten blijkt dat mensen bij het uitoefenen van een taak de dingen zien die voor die taak nodig zijn en andere zaken gewoon over het hoofd zien. De representatie van de wereld die iemand in z’n hoofd maakt is dan afhankelijk van de taak die hij uitvoert. Zo vergeet ik altijd wat er op de ANWB-borden boven en langs de snelweg staat. Ik heb bepaalde routes vaak gereden en weet waar ik af moet slaan. Ik gebruik daarbij de informatie die op de borden staat, maar ik sla dat niet op in mijn hoofd. De representatie in mijn hoofd bestaat uit het wegenplan en de steden die aan die wegen liggen. Zo weet ik dat ik aan een bepaalde snelweg de afslag moet hebben die mij richting Amersfoort leidt, maar ik weet niet of er op het bijbehorende bord Amersfoort staat. Het kan ook zijn dat alleen Utrecht vermeldt wordt en doordat ik weet waar Utrecht en Amersfoort liggen, weet ik of dit de afslag is die ik me herinner. Op een ander punt is het dan weer logisch dat ik Utrecht niet moet volgen, maar of dat wel of niet op het bord staat, weet ik niet. Zo kan ik de weg niet aan iemand anders uitleggen, want ik kan niet vertellen wat er vermeld staat bij de te nemen afslag. Maar ik kan wel zelf de weg vinden zonder kaart of navigatiesysteem. Ik gebruik mijn geheugen en mijn ogen om de weg te vinden, maar wat er in mijn geheugen opgeslagen is, is niet wat mijn ogen hebben gezien. Wat er in mijn geheugen zit, is voldoende om in interactie met mijn omgeving de weg te vinden.

Ik was eens bij een roofvogelshow. Het publiek zat op een tribune en links en rechts daarvan waren verhogingen. De vogels vlogen op commando van de ene kant over het publiek naar de andere kant. Jonge vogels vlogen in een rechte lijn van A naar B. Iets oudere vogels hadden ontdekt dat het minder moeite kostte als ze een U-baan aflegden. Ze lieten zich met gespreide vleugels van de verhoging vallen en kregen daardoor snelheid. Met die snelheid zweefden ze horizontaal naar de overkant om daar weer omhoog te gaan. Zo legden ze een baan af net als een skateboarder op een skatebaan. Weer omhoog gaand verloren ze hun snelheid en met één klapwiek van hun vleugels kwamen ze dan aan op de verhoging aan de andere kant. Met één klapwiek ruim tien meter afgelegd. Ik zie het vogels in mijn tuin ook doen. Ze laten zich uit een boom vallen, zodat ze zonder energie snelheid krijgen en dan vliegen ze weg. Hoe zou de wereld er in het vogelbrein uitzien? Een robotbrein zou alle afstanden horizontaal en verticaal registreren om daar vervolgens alle berekeningen op los te laten. Een vogelbrein bevat, denk ik, alleen de sporen van eerder gevolgd gedrag. Net als bij de verkeersborden speelt visuele informatie daarin een belangrijke rol – vogels hebben bijzonder goede ogen – maar in het geheugen zal het aandeel van visuele informatie veel kleiner zijn. Trouwens, de horizontale afstanden zijn voor vogels niet zo belangrijk. Denk aan de skatebaan, als die een meter langer is, dan doet de skateboarder hetzelfde kunstje, dat maakt niet zoveel uit.

 

Gedrag is doorgaans een interactie met de omgeving. Dat betekent ook dat niet alle elementen van gedrag in het geheugen gerepresenteerd of opgeslagen te hoeven zijn. Denk aan die verkeersborden, ik hoef niet te onthouden wat er op de borden staat om mijn weg te vinden. En toch is het zo dat ik mijn weg routineuzer vindt als ik ergens vaker geweest ben. Mijn gedrag sla ik op in mijn geheugen en dat wordt na verloop van tijd steeds adequater. Mijn representatie van de wereld bestaat niet uit wat ik zie of gezien heb, maar uit wat ik gedaan heb. Verschijnselen die ook hieraan doen denken zijn dat je iemand in gedachten voor je ziet en zijn naam niet weet, maar als je hem in levenden lijve ziet dan weet je zijn naam ineens weer wel. Of dat je in gedachten iemand zo kunt uittekenen, maar als je probeert hem te tekenen, dan kom je erachter dat je niet precies weet hoe hij eruit ziet. En toch, als hij maar iets aan zijn uiterlijk verandert (kapper, bril, snor), dan zie je dat meteen. Al deze verschijnselen demonstreren dat je representatie van de wereld bestaat uit je gedrag. In de colleges psychologische functieleer leerden we dat waarnemen iets anders is dan registreren. Video-apparatuur registreert, het waarnemen door mensen is interpreteren. Veel verschijnselen in de waarneming zijn gevallen van interpreteren, maar het voorbeeld van niet op iemands naam kunnen komen gaat verder. Dat kun je niet verklaren met “waarnemen is interpreteren”.

 

Bepaalde gedragspatronen zijn er ingesleten, zou je kunnen zeggen. Het oproepen van gebeurtenissen is een heel ander gedrag. De opslag van gebeurtenissen noemt men het episodisch geheugen. Het kan niet anders dan dat dit episodisch geheugen secundair is. Gedrag past zich aan op grond van de feedback uit de omgeving. Het gedrag is dus reproduceerbaar, is opgeslagen. Dat is wezenlijk belangrijker voor het overleven dan het herinneren daarvan. Het leren van gedrag kan zonder dat je je dat herinnert, er zijn tal van voorbeelden van dingen die mensen leren zonder dat ze zich daarvan bewust zijn. Gedrag wordt constant bijgestuurd. Je merkt het als je bepaald gedrag een tijdlang niet hebt uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat je met vakantie was. Na je vakantie moet je “er weer in komen”.

De vaststelling dat episodisch geheugen secundair is heeft ook gevolgen voor de psychotherapeutische behandeling van trauma’s. Stel dat iemand een trauma heeft, daar last van heeft in zijn dagelijkse functioneren en steeds de beelden voor zich ziet. Het probleem dat de cliënt heeft, is zijn gedrag. In zijn trauma heeft hij gedrag aangeleerd waar hij nu last van heeft. Die geheugensporen moet je dus compenseren, hij moet ander gedrag aanleren. Het kan niet efficiënt zijn om de patiënt zijn trauma te laten herbeleven, of daarover te laten vertellen, want dan ga je aan het werk met het episodisch geheugen. Het episodisch geheugen – dat hij zich zijn trauma kan herinneren – is niet het probleem, het episodisch geheugen hangt er maar een beetje bij. Het probleem is zijn gedrag. Geheugen is gedrag.

 

Terug naar overzicht Argumententheorie

Advertenties

From → Wetenschap

Geef een reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: